waterwants

Ruggenzwemmers

 

Ruggenzwemmers zijn insecten die ondersteboven zwemmen. Je ziet het terug in de wetenschappelijke naam Notonecta, een samenvoeging van noto = rug en necton = zwemmen. Met hun poten omhoog en hun rug omlaag hangen ze roerloos aan de onderkant van het wateroppervlak, wachtend op een prooi. Wanneer je ze beet pakt kunnen ze venijnig steken met hun snuit, die ze normaal gebruiken om hun prooi leeg te zuigen. Vijvers kunnen vol zitten met deze insecten. Ze vallen kleine vis en kikkerlarven aan. Zelf worden ze gegeten door grote libellenlarven en roofvis als baars en snoek.

 

Ondersteboven hangt een ruggenzwemmer tegen het wateroppervlak wachtend op prooi.

Ondersteboven hangt een ruggenzwemmer tegen het wateroppervlak wachtend op prooi.

 

Hun achterpoten zijn afgeplat en van zwemharen voorzien. Wanneer de poot naar voren beweegt zijn de haren aangelegd, en ze staan uit wanneer ze naar achteren slaan. Zo werken ze als roeispanen. De luchtvoorraad wordt tussen haren aan de buik vastgehouden. Dat zorgt ervoor, dat de buikzijde lichter is dan de rug waardoor de dieren vanzelf ondersteboven blijven. De haren staan uit wanneer ze de lucht aan hun buik verversen.

 

De achterpoten zijn afgeplat. Hier zijn de zwemharen te zien. Wanneer de poot naar achter beweegt staan zij uit.

De achterpoten zijn afgeplat. Hier zijn de zwemharen te zien. Wanneer de poot naar achter beweegt staan zij uit.

 

Om minder  op te vallen is hun rug- en buikkleur verwisseld. Dat is een aanpassing tegen rovers die het op hen gemunt hebben.  Van buiten het water dreigen reigers en waadvogels. De onderstboven hangende wants heeft een donkere buik. Omdat de bodem van het water zwart is, valt de wants minder op. De rug is licht van kleur waardoor een roofvis de roerloze wants boven hem minder snel opmerkt. De andere waterwantsen keren hun zwarte rug naar boven en hun witte buik naar onder. Er zijn zo’n zeven soorten in ons land. de algemeenste is Notonecta glauca, ofwel het bootsmannetje.

 

Op de buik zit een haarvacht. Hier ververst de wants de zuurstof die hij op zijn buik meedraagt door de haren die de lucht vasthouden te spreiden (foto's AvBH)

Op de buik zit een haarvacht. Hier ververst de wants de zuurstof die hij op zijn buik meedraagt door de haren die de lucht vasthouden te spreiden (foto’s AvBH)

 

Schaatsen op het water

 

Hoewel nog (lang?) geen winter, nu al aandacht in Wilde Wijde Wereld voor schaatsen. Deze schaatsenrijders, de insecten, gaan zo langzaam aan van het water af en straks hopen wij hun plek in te nemen. Maar dan op ijs. Schaatsenrijders, leven op het grensvlak van water en lucht. Dat vraagt speciale voorzieningen. Dat op water lopen kan, bewijzen deze insecten. Behalve op sloten, meren en snelstromende beken, zijn het de enige insecten die midden op oceanen in wiervelden leven en nooit land zien. Een extreme aanpassing!

Vreemd, in onze taal heten ze schaatsenrijder: niet goed gekozen. In het Duits en Engels geeft de naam beter weer waar het bij deze insecten om draait: Wasserläufer en Water Strider. Foto: Milly Zeilstra

Zo langzamerhand is er minder insectenleven op en onder water te zien, veel insecten overwinteren op de oever tussen de planten. Anderen zoals waterkevers en waterwantsen met de toepasselijke namen bootsmannetje, ruggezwemmer en waterschorpioen kruipen in de slootbodem om daar de winter door te brengen. Ze worden alleen nog actief tijdens zonnige perioden langs op het zuiden liggende en tegen de wind beschutte oevers.

Lang dacht men dat ze niet door de oppervlaktespanning van het water heen braken en daardoor niet onder water verdwenen dankzij een vette substantie aan de poten. Dat beeld klopt niet, het is juist de microstructuur aan de poten die het mogelijk maakt. Foto: Winfried van Meerendonk

Met dank aan Winfried van Meerendonk voor zijn schaatsenrijders uit de Amsterdamse Waterleidingduinen en Milly Zeilstra voor haar Steenwijkse schaatsenrijder.