Dino- en reptieleneieren zijn vogeleieren.

 
De vrouwen van alle gewervelde dieren maken eieren. Reptielen ontwikkelden als eerste in de evolutie eieren met een leerachtige schaal, een aanpassing die het mogelijk maakt dat hun eieren niet uitdroogden en dat ze zich verder weg van water konden voortplanten. De meeste reptielen leggen witte eieren die ze begraven en aan hun lot overgelaten. Vogels gaan een stapje verder: hun ei is uit het reptielentype ontstaan. Het kreeg een kalkschaal met een vaste vorm. Op een heel enkele uitzondering na begraven ze hun eieren niet, maar houden ze die warm met hun lichaam. Daarbij ontstonden allerlei nestvormen: van een simpel gedraaid kuiltje in de grond bij de scholekster tot de meterslange gevlochten manden van de wevervogels. Een vogelei kan zichzelf bedruipen. Het belangrijkste is dat er zuurstof naar binnen kan en koolzuur en water naar buiten. Omdat een actief ademhalingssysteem met kieuwen of longen ontbreekt gaat de uitwisseling langs de weg van diffusie. De eischaal is een heel klein beetje poreus: alle poriën bij elkaar opgeteld levert 0,02% van het oppervlak van een eendenei.

 

Vogeleieren zijn er in vormen en maten. Aalscholvers leggen witte die weinig gevaar lopen gevonden te worden door eierrovers, want aalscholvers broeden in kolonies en altijd slaat er wel een aanwezige vogel alarm. Collectie Museon

 
Eieren van reptielen, vogels en ook van zoogdieren hebben een gezamenlijke oorsprong. De eerste zoogdieren legden ook eieren met kalkachtige of leerachtige schaal. De voorbeelden van nu zijn het vogelbekdier en de mierenegel die leerachtig geschaalde eieren leggen. De zoogdieren ontwikkelen hun nageslacht in het lichaam en zogen dat. De eischaal is daarbij niet langer nodig en verdween. Vissen en amfibieën leggen ook eieren, maar die missen de kalkschaal. Daarom keren amfibieën tijdens de voortplanting tijdelijk terug naar het water. Vogels en reptielen nemen in feite het water mee op het land, terwijl zoogdieren nog verder gaan en water in hun lichaam gebruiken om hun eieren zich te laten ontwikkelen.
 

Kieviten leggen meestal vier eieren. Ze zijn bijzonder goed gecamoufleerd. Collecie Museon. Foto's: Winfried van Meerendonk en Leon van den Berg.

Geef een reactie

Jouw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *