Vissen

Kroeskarper: de enige echte goudvis

 
Zaterdag was de jaarlijkse landelijke Natuurwerkdag. In Zoetermeer was de Natuurtuin in het Westerpark aan een schoonmaakbeurt toe. Met harken werden planten verwijderd uit de sloten en vijvers. Een schelpen- en slakkenkenner ging te water met een korf. En in de tuin waren tafels met waterbakken neergezet om de dieren die met de planten mee kwamen te bekijken.
 

Op zoek naar waterleven.

Op zoek naar waterleven.

 
Klap op de vuurpijl was een kroeskarper, Carassius carassius, van tien centimeter. Een prachtig goudgekleurde vis met een hoge rug. Deze vis zou door zijn prachtige kleur eigenlijk goudvis moeten heten en de meestal rode goudvis op zijn beurt zou een andere naam moeten hebben. Want die is allesbehalve goudkleurig. De kroeskarper is vooral te vinden in plantenrijke wateren die ’s nachts zonder zuurstof raken omdat planten de zuurstof opnemen. Kroeskarpers voelen zich goed thuis in water dat uitdroogt. Ze kruipen dan weg in de modder totdat er weer water komt.
 
Kroeskarper, de enige echte goudvis  

Deze prachtige vis zit nu tijdelijk bij mij thuis in een aquarium. Het is lang geleden, dat ik kroeskarpers in het schepnet kreeg. Zo herinner ik mij dat ik ze wel eens levend op het strand vlakbij de uitwatering in Katwijk heb gevonden. Tijdens het spuien door Rijnland via de Oude Rijn waren ze met andere zoetwatervissen waaronder zeelten en voorntjes in zee geloosd. Ik vond toen twee nog levende kroeskarpers die ik bij Rijnsburg heb losgelaten in een sloot.
 

Behalve kroeskarpers vingen we zaterdag nog drie zeelten, Tinca tinca, een groot aantal tiendoornige stekelbaarzen, Pungitius pungitius, en een paar rietvoorns, Scardinius erythrophthalmus.
 

Coelacanth, levend fossiel

 

ICHTHYOLOGIE

 

Er is in zee een coelacanth gevonden,
de missing link tussen twee vissen in.
De vinder weende van verwondering.
Onder zijn ogen lag voor ’t eerst verbonden

 

de eeuwen onderbroken schakeling.
En allen die om deze vis heenstonden
voelden zich op dat ogenblik verslonden
door de miljoenen jaren achter hen.

 

Rangorde tussen mens en hagedis
en van de hagedis diep in de stof,
verder dan onze instrumenten reiken.

 

Bij dit besef mogen wij doen alsof
de reeks naar boven toe hetzelfde is
en kunnen zo bij God op tafel kijken.

 

Gerrit Achterberg
In: Cenotaaf, 1953

 

 

Soms glipt een uitgestorven gewaande soort door de mazen van de tijd. Dat deed een vis, de Coelacanth, Latimeria chalumnae. Hij werd springlevend teruggevonden in de Indische Oceaan bij Zuid-Afrika terwijl we dachten dat de groep, waartoe hij behoorde, 80 miljoen jaar geleden was verdwenen. We spreken in zo’n geval van een levend fossiel.

 

De Coelacanth was lange tijd alleen bekend als fossiel. Het afgietsel in de collectie van het Museon (163636) is gemaakt van een vis op alcohol die in het museum in Luik ligt. Foto: Museon

 

Was het eerst alleen Zuid-Afrika waar deze vis levend werd teruggevonden, ze blijken ook bij de Comoren voort te leven. Zestig jaar na de eerste vangst werd voor de kust van het Indonesische eiland Sulawesi ook een Coelacanth aangetroffen op een vismarkt.

Dat deze vis niet zo “modern” is komt o.a. tot uiting in de zwemwijze en de beweging van de vinnen die heel anders is dan bij tegenwoordige beenvissen.” Kijk maar naar het filmpje.

 

 

De ontdekking van de Coelacanth met zijn onafhankelijk van elkaar bewegende vinnen op steeltjes waarin verschillende botjes zitten, leidde tot de veronderstelling dat deze vissen de voorouder zouden zijn van de eerste landdieren. Later is dit idee weer verlaten en nu houden onderzoekers het erop, dat een verwante groep vissen, Panderichthys, die 380 miljoen jaar geleden leefde, daar eerder aanspraak op kan maken. Coelacanth betekent letterlijk holle stekel naar de holle stekels van de eerste rugvin, een uniek kenmerk. Onze vis is de enige overlevende van zijn groep die 100 tot 200 miljoen jaar geleden uit veel meer soorten heeft bestaan.

 

Baarzende snoek

 
De vijvers van het Gemeentemuseum krijgen een onderhoudsbeurt. Eerst de kleine bij het Museon en nu de grote vijver. De tuinman, een fervent visliefhebber, verzorgt zijn vissies goed. Hij rent zich rot om alle vis levend over te brengen. Toen de grote vijver aan de beurt was riep hij me ‘s morgens vroeg. In een groot net lag heel rustig een kanjer van een snoek. Samen met de andere vissen kwam de snoek tijdelijk in de kleine vijver terecht. Het stelt mij in de gelegenheid de vissen beter te leren kennen. Behalve snoek zit er o.a. baars, zonnebaars, graskarper en karper in de vijvers. De snoek is door Raimond zelf als kleine vis ongeveer vier jaar geleden uitgezet. 

Onderhoud aan de grote vijver

 

Trots laat de tuinman een grote snoek zien. Ze zijn door hemzelf vier jaar geleden als jonge vis uitgezet. Snoek leeft van jonge vis en de zonnebaarzen in de vijvers. De volwassen karpers en graskarpers zijn te groot. Foto’s AvBH

Op dezelfde dag kreeg ik een filmpje van Museoncollega Marcel Aalbregt. Hij ontdekte bij zijn huis een klein snoekje die een iets kleiner baarsje te pakken had. Na de kop naar binnen te hebben gedraaid verdween de baars rap en nog levend in de snoek.

 

 
Met dank aan collega Marcel Aalbregt die de film maakte.
 

Mossel en vis

 
Al eerder schreef Wilde Wijde Wereld over de steur, Acipenser sturio, de leverancier van kaviaar. Steur  is net als houting, zeeprik, rivierprik en zalm een vis die voor zijn voortplanting de rivieren optrekt. Op de zalm na, die naar beekjes in het hooggebergte doortrekt, leggen de andere soorten hun eieren in de beddingen in de beneden- en middenloop van grotere rivieren zoals de Rijn en de Maas. Toen in de tweede helft van de vorige eeuw door steeds toenemende industriële lozingen extreme riviervervuiling optrad, werd die door de vis duur betaald. De bestanden hebben zich nooit meer helemaal hersteld. De houting geldt voor ons land als uitgestorven sinds 1930. Zeeprik en rivierprik komen nog sporadisch de rivieren op.

De voortplanting van de rivierparelmossel hangt af van de steur. De mossellarven hechten zich aan de kieuwen van de steur.

De steur zet zijn eieren deels af in de rivierparelmossel, Margaritifera auricularia. De larven van mossel en vis halen hun zuurstof uit het door de mossel en langs de kieuwen van de vis stromende zuurstofrijke water.
 
Met het verdwijnen van de rivierparelmossel, Pseudunio auricularia, verdween de steur uit de Europese rivieren. De industriële vervuiling speelde daarbij een grote rol.
 

Roodkaakjes op tijd

De klok vandaag op 2011-11-11 om 11.11.11. Screendump door Michael Werbeck uit Bremen.

 

Vandaag hoorde ik op de radio over aanstaande echtparen die om precies 11 over elf met elkaar zouden trouwen. Een Duitse vriend die zeer punctueel is, stuurde mij een screendump van de atoomklok 11.11.11 op 11.11.11. Toen ik deze afbeelding zag, dwaalde ik terug naar mijn studententijd. We moesten tijdens een cursus de cyclus van het stekelbaarsmannetje, Gasterosteus aculeatus, in kaart brengen. Zijn gedragingen konden ongeveer in een 11-tal onderdelen onderscheiden worden. Daarvan was de meest opvallende de doorkruip door het nest. Nico Tinbergen heeft dit als een van de eersten onderzocht. Onder leiding van assistent Maarten ’t Hart zaten we dagenlang in een donkere kamer naar een meterslang aquarium te turen waarin een mannetje stekelbaars een nest had gebouwd. Zo nu en dan zagen we een zogenaamde doorkruip door het nest. Een week later toen onze waarneemperiode erop zat, maakten we een vijf meter lange grafiek waarop alle gedragingen die wij genoteerd hadden te zien waren. En wat bleek, het mannetje kroop na elke 110 minuten en 11 seconden door het nestje. Er waren ook andere mannen, van die stoere, die het elke 60 minuten deden en heel slome vissen die het pas na drie uur nodig vonden dit te doen. Deze regelmaat verdween wanneer een vrouwtje zich aanbopod of door ons werd voorgehouden in een glazen kolf. In het geval waarin een vrouwtje zichzelf aanbood, leidde het mannetje haar het nest in om eieren te leggen. Direct daarna kroop ook het mannetje door het nest om de eieren te bevruchten. En daarna werd prompt het vrouwtje weggejaagd. Vanaf dat moment bleven de doorkruipen achterwege en bewaakte de man zijn nest furieus.

In het voorjaar kleurt het mannetje van de driedoornige stekelbaars knalrood. Agressie richt zich vooral op andere mannetjes in dezelfde toestand. Foto Piet Spaans

Ik realiseerde mij, dat niet alleen wij, maar ook dieren en planten verzot zijn op bijzondere getallen.
 
Met dank aan Michael Werbeck (Bremen, Duitsland)