Stad

Stedelijke natuur

Poortwachters

 

Tijdens een wandeling  op 7 juli over de wallen van de vesting Hulst in Zeeuws-Vlaanderen werd ik bij een van de stadspoorten door een bijzondere poortwachter tegengehouden. Zilverkleurige matjes spinrag, met in het midden een trechtervormige buis die in de heg verdween, lagen opvallend boven op een heg. In de ingang zat een poortwachter met acht glinsterende ogen. Deze mevrouw, de trechterspin Agelena labyrinthica, gluurde tussen opgetrokken harige poten naar mij.

Vrouwtje trechterspin met opgetrokken poten bij de ingang van de tunnel. Paringsbereid. Foto AvBH

Vrouwtje trechterspin met opgetrokken poten bij de ingang van de tunnel. Paringsbereid. Foto AvBH

Dagenlang heeft zij aan het web gebouwd om het dan haar hele spinnenleven te gebruiken. Kom daar maar niet om bij andere spinnen zoals kruisspinnen. Die bouwen elke dag, nadat ze eerst het web van de vorige dag hebben opgegeten, een nieuw web met kleefstofdruppeltjes om het vangen van een prooi te vergemakkelijken. De trechterspin gebruikt geen kleefstof. Om dat gemis goed te maken heeft de trechterspin een enorm reactievermogen. Zodra ze spanning op het web voelt schiet ze razendsnel het matje op en slaat haar gifkaken in de prooi. Bij het fotograferen raakte ik per ongeluk het web en schoot de spin weg naar binnen haar hol in. Metingen laten een reactiesnelheid zien van 160 milliseconden! Daarbij spelen de acht ogen een belangrijke rol.
 
Hun seksleven is eenvoudig te volgen. Ze doen het op de mat voor de ingang van de trechter. Maar heren en dames voyeurs: wees geduldig, want de paring lijkt eeuwig te duren vergeleken met de aanval.
 
Na de paring in juli spint het vrouwtje in augustus een eizak met 50 tot 130 eieren. De eitjes komen in de herfst uit en de jongen overwinteren in het nest. In het voorjaar gaan ze ieder hun eigen weg. De moeder is dan al dood en wordt soms opgegeten door haar kroost.

Om het imago van spinnen in het algemeen wat op te vijzelen en de belangstelling te vergroten wordt elk jaar de Spin van het Jaar gekozen. In 2011 was dat de trechterspin.

 

Jonge gozers

 

Van verschillende kanten krijg ik berichten, dat het met onze ‘straatjongens’, de huismussen, Passer domesticus, weer wat beter gaat. Vooral in tuinen waar de mus de laatste jaren dramatisch is afgenomen, worden weer meer mussen gezien. Het kan verkeren. Vogels zijn rare beesten, ze kunnen je heel erg op het verkeerde been zetten. Waarom zie je ze op steeds minder plaatsen in de dicht bevolkte stadsgebieden in het westen van het land? Op deze vraag zijn de meest fantastische antwoorden gegeven. Ik heb al eens geopperd, dat het hoog tijd wordt om op Europese schaal onderzoek te starten hoe het nu werkelijk gesteld is met de gezondheidstoestand van onze directe leefomgeving in de stad. Bij het vormen van die gedachte speelde de dramatische afname van de huismus als belangrijkste cultuurvolger onder de vogels een belangrijke rol.

 

Opwarmen voordat de koude nacht valt.

Gozermusje warmt op voor de nacht.

 

Maar afgaand op de recente berichten houdt de huismus het nog even vol en vecht zich misschien wel terug in de tuin en onder het dak. Zo had ik verwacht, dat er minder gezien zouden worden na de koude winter en het lang durende, koude en neerslagrijke voorjaar. Want ik heb in mijn hoofd de misschien wel foute aanname zitten, dat mussen heel gevoelig zijn voor langdurige en vochtige koude. Daarom was ik blij verrast in de polder net buiten de stad groepjes jonge mussen en spreeuwen tegen te komen.

 

Nozemspreeuw die zich na een lang zonnebad uitrekt.

Nozemspreeuw die zich na een zonnebad uitrekt.

 

De jonge spreeuw is net als het huismusje nog maar kort geleden uitgevlogen. Ook daarover gaan alarmerende berichten. De spreeuw laat als broedvogel in ons land een zo mogelijk nog dramatischer afname zien dan de huismus. Daar wordt minder op gewezen, want buiten de broedtijd wemelt het hier nog van de spreeuwen uit Oost- en Noord-Europa. Dat vertroebelt het denken. Huismussen trekken namelijk veel minder, waardoor hun voortdurende afwezigheid meer opvalt. Het is zonneklaar, dat de kleine stadsvogels huismus en spreeuw het nog steeds zwaar hebben.

 

Wanneer gaan we stadvogels echt de helpende hand bieden?

Wanneer gaan we stadvogels echt de helpende hand bieden? Foto’s AvBH

 

Twee stadsvogelsoorten schijnen daar geen last van te hebben. Kauwen en ook zwarte kraaien nemen in de stadsomgeving waar ik woon nog steeds toe als broedvogel. Waardoor dat komt is ook een raadsel waar veel antwoorden op mogelijk zijn.

 

Stormgast

 

Zondagmiddag 23 juni zag ik tijdens een opklaring een grote libel in de tuin. Al gauw werd mij duidelijk, dat het een voor het westen van het land niet zo gewone soort is. De Bruine korenbout, Libellula fulva, is meer in het oosten van het land te vinden. Ik wijt het aan de wind, dat deze mooie libel de tuin uitkoos om te rusten.

 

Een vrouwtje van de Bruine korenbout vanmiddag in Zoetermeer.

Een vrouwtje van de Bruine korenbout vanmiddag in Zoetermeer.

 

Het is me al eerder opgevallen, dat je bij veel wind extra moet letten op insecten die niet dagelijks in een stadstuin verdwalen. Zo zag ik vanmiddag in de voortuin een gele strontvlieg, Scatophaga stercoraria, op zonneroosje en een aantal niet alledaagse en ondefinieerbare vliegen.

 

Van boven zijn de kenmerken goed te zien: De zwarte vleugelpunten en de zwarte streep op het achterlijf die naar achter toe breder wordt maken deze soort onmiskenbaar. Foto's AvBH

Van boven zijn de kenmerken goed te zien: De zwarte vleugelpunten en de zwarte streep op het achterlijf die naar achter toe breder wordt maken deze soort onmiskenbaar. Foto’s AvBH

 

bruine-korenbout

 

De Vlinderstichting (what’s in a name?) houdt behalve vlinders ook de libellen in de gaten. Het kaartje hierboven is van hen afkomstig.

 

Libellenreservaat Zoetermeer

 

In 1992 bezocht ik de Floriade in Zoetermeer. In een van de attracties, de Poldertuinen, waren vijf vijvers te zien. Ik herinner mij nog, dat er scholeksters en tureluurs op de oevers liepen. En visdiefjes doken tussen de waterlelies naar stekelbaarzen. Landschappelijk was het een van de mooiste onderdelen van de Floriade. Ongetwijfeld hebben er toen al libellen gevlogen.

 

De Poldertuinen, onderdeel van de Floriade 1992, gezien vanaf de Balijbrug over de A12. Destijds ontbraken de bomen en was het een open landschap. Bereikbaarheid per fiets: ga naar knooppunt 2 in het netwerk van Haaglanden.

 

De laatste jaren ontdekten natuurliefhebbers steeds meer libellensoorten langs en op de vijvers. Zij opperden het idee om de Poldertuinen de bestemming Libellenreservaat te geven. Het is aantrekkelijk omdat je als bezoeker, lopend over de vlonderbruggen, vlak boven het wateroppervlak staat en daar de activiteiten van de libellen – en andere waterinsecten – goed kunt volgen. Parende libellen, eileggende libellen en libellenlarven die langs een stengel omhoog kruipen, uit hun vel kruipen, hun vleugels oppompen en daarna wegvliegen. Het is allemaal van heel dichtbij te volgen.

 

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Op het mooi vormgegeven informatiebord is veel informatie over libellen te vinden.

 

De vuurjuffer is een van de eerste soorten die vliegt in het voorjaar. Door de late lente zijn zij dit voorjaar een maand later actief geworden. Mannetjes kiezen een tegen andere mannen verdedigde positie op een oever- of waterplant en komen direct in actie zodra zij een soortgenoot gewaar worden. Er is nog een andere roodgekleurde libellensoort, de koraaljuffer, Ceriagrion tenellum. Die is makkelijk te onderscheiden aan zijn rode poten (zwart bij de vuurjuffer).

 

Pyrrhosoma-nymphula_vuurjuffer_m_IMG_3297_130528_1280x853

Mannetje van de vuurjuffer. Het vrouwtje ziet er ongeveer hetzelfde uit, maar heeft meer zwart op het achterlijf. Foto’s AvBH

 

Tussen april en oktober zijn hier bij mooi weer wel 27 soorten libellen te zien. Niet allemaal tegelijk natuurlijk. Op het informatiebord is te vinden wanneer welke soorten te zien zijn. Een overzicht van alle soorten, de ligging en de bereikbaarheid van het reservaat, is te vinden op de website van de Zoetermeerse afdeling van de KNNV (Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging).

 

Turkse tortels vliegen de laan uit

 

Sperwers, Accipiter nisus, worden steeds vaker in stad en dorp gezien. Twee weken geleden vond ik voor de voordeur een lijkje van een Turkse tortelduif, Streptopelia decaocto. Ik dacht dat een van de vele katten die bij ons in de buurt leven de schuldige was. Een week later belde de buurvrouw aan. Haar zoon zag een roofvogel midden op straat op een vogel zitten. Ik heb direct mijn fototoestel gepakt en tussen de vuilcontainers door de bijgesloten foto gemaakt.

 

Een jaar oude sperwervrouw heeft op straat een turkse tortel geslagen Foto AvBH

Een jaar oude sperwervrouw slaat op straat een turkse tortel. Foto AvBH

 

Een kwartier lang werd de duif nog levend aangevreten door de sperwer. Na tien minuten slaagde zij er nog in zich los te wurmen en vloog nog een keer op. Maar de sperwer greep haar weer en ging verder met het plukken en losscheuren van het borstvlees. En toen gaf de duif de geest. Na twintig minuten vloog de sperwer weg met de prooi.

Het is me niet duidelijk of dit sperwervrouwtje in de buurt een nest heeft. Volgens de boeken kan een vrouwtje dat een jaar geleden is geboren en nog het bruine jeugdkleed heeft al broeden. Een ding is wel zeker: zij veroorzaakt een hoop onrust onder de buurtvogels. Ik zie haar dagelijks gaan hoog in de lucht, achterna gezeten door meeuwen en kauwen. Na twee jaar wordt het verenkleed grijs.