Museon

Columbus en het paard

 

Columbus en het paard, Equus caballus, bereikten Amerika in 1492. De indiaanse bevolking stond perplex bij het zien van het manpaardwezen. Even dachten ze, dat er goden gekomen waren om hen te straffen. Soms ontsnapte een paard aan zijn berijder, want die werd wel eens van het paard geschoten.  

De paarden verwilderden op de prairies tot de mustangs die in Westernfilms de cowboys dragen. Foto AvBH

Ondanks al het nieuwe dat Columbus naar de Nieuwe Wereld bracht is voor het paard Amerika een oude wereld, want tot 16.000 jaar terug leefden daar nog wilde paarden. De eerste mensen trokken een paar duizend jaar later uit Azië de Beringstraat over, maar troffen toen geen paarden meer aan.

Replica van een oerpaardje, Propalaeotherium hassiacum (Museonnr. 163694) uit de groeve Messel bij Darmstadt in Duitsland. Ouderdom: Midden-Eoceen. Foto Museon

Wie de fossielen van 30 miljoen jaar geleden onderzoekt, ontdekt dat het in Noord-Amerika ooit gewemeld heeft van paarden, zowel in soorten als in aantallen. Via landbruggen emigreerden enkele keren in de geologische geschiedenis paarden uit Amerika naar Azië, Europa en Afrika. In Amerika stierven ze uit, terwijl in Azië het Przewalskipaard en de ezels en in Afrika de zebra’s tot op de dag van vandaag voortbestaan. Die drie zijn maar een kleine afspiegeling van de rijkdom aan soorten die ooit over de Noord-Amerikaanse prairies zwierven.

 

De eerste paarden waren samen met hun verwanten, neushoorns en tapirs, bosbewoners die van het blad van bomen leefden. Toen het klimaat kouder en het landschap opener werd, raakten grassen in de meerderheid. Paarden pasten zich aan het eten daarvan aan. Het hield in, dat zij een veel slijtvaster gebit nodig hadden om de harde bladen van grassen te kunnen eten. En omdat ze in een open landschap leefden, ontwikkelden ze langere poten om sneller te kunnen vluchten.

 

Mens en paard zijn nauw met elkaar verbonden. Er zijn er zelfs die met paarden kunnen spreken. In de VS verliep de evolutie van het paard wel heel snel na de komst van Columbus…..

 

 

Canadese ganzen

 

Van alle ooit hier losgelaten ganzensoorten is de Grote Canadese gans, Branta canadensis, de allergrootste. Al enkele jaren broeden ze met succes in de museumtuin vlakbij een van de drukste kruispunten van Den Haag. Al eerder betoogde ik, dat die nieuwelingen het alleen redden als ze zich maar agressief genoeg opstellen. Daar hoort ook bij, dat ze brutaal de ogenschijnlijk minst aantrekkelijke plaatsen bezetten, plaatsen die door andere soorten worden gemeden. Het gevolg is, dat door ons toedoen deze gans zich snel aan het verspreiden is. De nieuwelingen bestrijden ook elkaar. Jaren eerder streek de Nijlgans, Alopochen aegyptiacus, al bij ons neer. Ook door ons toedoen. Jaarlijks zagen we ze met hun jongen in de vijver, maar sinds de komst van de Canadees, zijn we de Egyptenaar als broedvogel kwijt.

Canadese gans op zijn nest bij de kruising van de Kennedylaan en de Stadhouderslaan. De gent blijft in de buurt en stuift op iedereen af die te dicht bij komt. Foto AvBH

Nadat de eieren uit waren gekomen trokken de ouders na een paar dagen met hun vijf jonkies weg. Ik vermoed naar een omgeving waar voldoende voedsel te vinden is. Daarbij moesten ze de drukke Kennedylaan oversteken. Een volle maand later kwamen ze plotseling weldoorvoed en grootgegroeid terug. Na een week vertrokken ze definitief. Tot volgend jaar. Er is veel over door ons losgelaten soorten te doen. Ze vestigen zich en verspreiden zich verder. Je ziet vaak, dat zo’n nieuwe soort zich eerst explosief vermeerdert en na verloop van tijd weer afneemt. Dan hebben ze hun plekje in onze fauna gevonden.

Om tien uur ‘s morgens staan de eerste bezoekers al te dringen om naar binnen te mogen

Baarzende snoek

 
De vijvers van het Gemeentemuseum krijgen een onderhoudsbeurt. Eerst de kleine bij het Museon en nu de grote vijver. De tuinman, een fervent visliefhebber, verzorgt zijn vissies goed. Hij rent zich rot om alle vis levend over te brengen. Toen de grote vijver aan de beurt was riep hij me ‘s morgens vroeg. In een groot net lag heel rustig een kanjer van een snoek. Samen met de andere vissen kwam de snoek tijdelijk in de kleine vijver terecht. Het stelt mij in de gelegenheid de vissen beter te leren kennen. Behalve snoek zit er o.a. baars, zonnebaars, graskarper en karper in de vijvers. De snoek is door Raimond zelf als kleine vis ongeveer vier jaar geleden uitgezet. 

Onderhoud aan de grote vijver

 

Trots laat de tuinman een grote snoek zien. Ze zijn door hemzelf vier jaar geleden als jonge vis uitgezet. Snoek leeft van jonge vis en de zonnebaarzen in de vijvers. De volwassen karpers en graskarpers zijn te groot. Foto’s AvBH

Op dezelfde dag kreeg ik een filmpje van Museoncollega Marcel Aalbregt. Hij ontdekte bij zijn huis een klein snoekje die een iets kleiner baarsje te pakken had. Na de kop naar binnen te hebben gedraaid verdween de baars rap en nog levend in de snoek.

 

 
Met dank aan collega Marcel Aalbregt die de film maakte.
 

Vampiers

 

Bloeddrinkende vleermuizen leven alleen in Zuid- en Midden-Amerika. Voordat Columbus daar voet aan land zette, leidden ze een weinig opvallend leven in de tropische regenwouden. Koeien en paarden uit Europa meegebracht waren er de oorzaak van dat de vampiervleerrmuizen het bos verlieten om zich te voeden met hun bloed. Vampiers zijn sociale dieren. Vrouwtjes met kroost die geen bloed kunnen vinden worden door hun buurvrouwen in de kraamkolonie bijgevoerd.

De gewone vampiervleermuis, Desmodus rotundus, Museoncollectienummer 211579 kruipend over de grond naar de poten van een slachtoffer. Na de beet likt de vleermuis het bloed op. Ze drinken 50% van hun lichaamsgewicht per drinkmaal! Doe dat als mens maar eens na met water…

In 1998 was in het Museon een tentoonstelling te zien met levende vampiers. De vampiers kwamen van een onderzoeker in Bonn die hun speeksel analyseert om te kijken waarom het bloed niet stolt. Een antistollingsmiddel dat op basis van vampierspeeksel wordt gemaakt is Draculine. Het wordt voorgeschreven aan hartpatiënten.

De twee snijtanden samen met de hoektanden in de bovenkaak zijn goed aangepast om een effectieve beet in de huid van het slachtoffer te maken. Foto’s Museon

Na de tentoonstelling zijn alle nog levende vleermuizen naar een dierentuin gegaan. De film hieronder waarin we op de tentoonstelling de vleermuizen bloed zien drinken is uit 1998. Primeur was toen, dat voor het eerst levende vampiers in ons land te zien waren. Daarbovenop kwam nog een geboorte. Moeder en kind zijn ook te zien in de film.

 

 

De vleermuizen zijn er niet meer, maar in ons museum zijn behalve de vele opgezette dieren vrijwel altijd levende dieren te zien. In de tijdelijke tentoonstelling Plantastic zijn dat hommels in hun nest en in de vaste expositie op de eerste etage slijkspringers en schuttersvissen.

 

Vorompatra en zijn ei

 

Het eeuwenoude ei van een Olifantsvogel, Aepyornis maximus, dat in 1995 op een veiling in Londen door het Museon is aangekocht, is een van de grootste eieren die ooit gevonden zijn. Zelfs de grootste dinosaurus uit het verre verleden zou jaloers zijn op de vogel met zo’n ei! De reusachtige vogelmoeder, die het ei legde en het niet heeft kunnen uitbroeden, blijft zelf een mysterie. De bewoners van Madagaskar noemden hem Vorompatra wat een aanduiding is voor de streek in het zuiden van het eiland waar ze leefden: Vogel van de streek Ampatra. Het originele ei en de reconstructie zijn te zien in de permanente tentoonstelling Jouw Wereld Mijn Wereld.

Het 32 centimeter grote ei, Museoncollectienummer 201449, heeft de inhoud van zeven struisvogeleieren, 150 kippeneieren of meer dan 12000 legsels van een kolibrie. Foto Museon

 

De beroemde ontdekkingsreiziger Marco Polo hoorde van vogels zo groot, dat ze olifanten konden pakken en meenemen in de lucht. Als de vogel ‘Roc’ figureren deze vogels in de sprookjes van Duizend en een Nacht. Deze vogel bestond echt, maar was niet het kolossale en vervaarlijke beest uit de verhalen van Marco Polo of de Arabieren. Het olifantenverhaal is waarschijnlijk ingegeven door meldingen van een grote uitgestorven roofvogel die op eilanden in de Middellandse zee jacht maakte op baby’s van dwergolifanten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


De olifantsvogel at de onderste bladeren van bomen en struiken door deze af te grazen. Wat dat betreft leek ie op een giraffe. Hij moet ongeveer 450 kilo gewogen hebben en was drie meter hoog. Dat is ruim drie keer zoveel als een struisvogel, die ongeveer 135 kilo weegt.  Lees verder