Fossielen

Fossielendokter

 

Direct na de voltooiing van de Zandmotor voor de kust van Monster in 2011 werden daar veel ijstijdfossielen gevonden. Eerst alleen daar, later ook verspreid langs het strand tussen Hoek van Holland en Scheveningen. Dat heeft ertoe geleid, dat regelmatig bij het museum wordt aangeklopt met verzoeken tot determinatie. Soms mogen we de fossielen houden. Maar als dat niet het geval is, dan helpen we de vinders toch bij de determinatie. Met hulp van de literatuur, maar ook met die van collega’s van verwante musea is meestal wel te achterhalen om welke soort het gaat.

 

mammoetslagtand

Op 11 april kwam de familie de Ridder aan de balie met een fragment van een slagtand van een wolharige mammoet, Mammuthus primigenius. Wolharige mammoeten leefden van 300.000 jaar tot 6.000 jaar geleden. Foto AvBH

Wie zulke fossielen vindt en ze thuis in de vensterbank legt zal na enige tijd merken, dat er scheuren in komen. En het slot is, dat het eens gave fossiel in stukken in de vuilnisbak belandt. Maar niet bij mevrouw en meneer de Ridder thuis! Zij hebben hun stuk slagtand keurig in een bak met zoet water gelegd en dit regelmatig ververst. Daardoor lost het zout van vele eeuwen op in het water. Dit proces betekent alleen maar uitstel. Nog steeds zal het fossiel – zij het later – uit elkaar vallen. Het moet gefixeerd worden met een lijmachtige substantie die vloeibaar genoeg is om in de tand door te dringen. Zij probeerden het met een in water oplosbare lijm, maar dat hielp niet. Het is beter dit met een lijm te doen die in aceton oplosbaar is. Dat nu is gebeurd. In het museum. De levensduur van het fossiel is daarmee vergroot.

 

Met dank aan mevrouw Vic Viveen van het Museon.

 

Neushoorns op het strand

 

Het strand is behalve een populaire plek om snel te verbranden een plek voor gelukszoekers. In mijn jeugd vond ik op het Katwijkse strand een zware zilveren ring die op de vloedlijn was bloot gespoeld. Ik vond hem niet mooi en dat maakte, dat ik hem als gevonden voorwerp heb ingeleverd bij de strandpolitie. Ik liet daar mijn adres achter en hoorde er tot mijn teleurstelling nooit meer iets over.

 

Dat moeten Kristian en zijn vader Arie Hoogenraad inmiddels ook zijn gaan denken, want nadat Kristian vorig jaar een prachtige kies vond op het strand van Monster en deze bij mij bracht, bleef een reactie van mij uit. Excuus daarvoor heren!

 

Onderkaakspremolaar van een wolharige neushoorn uit het pleistoceen.

Onderkaakspremolaar van een wolharige neushoorn uit het pleistoceen.

 

pleistocene-kies-Monster-strand

Het kauwvlak laat zien, dat wolharige neushoorns planten aten. Foto’s AvBH

 

Maar dan is ie er nu toch nog. Het is een prachtige onderkaakspremolaar van een wolharige neushoorn, Coelodonta antiquitatis. Onderkaakspremolaar is misschien wat moeilijk te snappen. In gewoon Hollands is het een valse kies uit de onderkaak. Die hebben wij ook, twee direct achter elke hoektand. Wanneer je die met deze kies van 6 centimeter lengte vergelijkt, dan zie je hoe klein wij zijn vergeleken bij deze ijstijdgigant.

 

Voor de kust bij Ter Heijde is het eens zo smalle strand onherkenbaar veranderd. Waar eens badgasten bij vloed elkaar tussen de Delflandse Hoofden verdrongen ligt nu een grote, lege zandvlakte waar je botten en tanden van mammoet, neushoorn, bever, paard, enz. kunt vinden. De vlakte heet officieel Zandmotor en is bedoeld om de kust tussen Monster en Scheveningen te versterken.

 

Met dank aan Jelle Reumer van het Natuurhistorisch In Rotterdam voor de hulp bij de determinatie.

 

 

Coelacanth, levend fossiel

 

ICHTHYOLOGIE

 

Er is in zee een coelacanth gevonden,
de missing link tussen twee vissen in.
De vinder weende van verwondering.
Onder zijn ogen lag voor ’t eerst verbonden

 

de eeuwen onderbroken schakeling.
En allen die om deze vis heenstonden
voelden zich op dat ogenblik verslonden
door de miljoenen jaren achter hen.

 

Rangorde tussen mens en hagedis
en van de hagedis diep in de stof,
verder dan onze instrumenten reiken.

 

Bij dit besef mogen wij doen alsof
de reeks naar boven toe hetzelfde is
en kunnen zo bij God op tafel kijken.

 

Gerrit Achterberg
In: Cenotaaf, 1953

 

 

Soms glipt een uitgestorven gewaande soort door de mazen van de tijd. Dat deed een vis, de Coelacanth, Latimeria chalumnae. Hij werd springlevend teruggevonden in de Indische Oceaan bij Zuid-Afrika terwijl we dachten dat de groep, waartoe hij behoorde, 80 miljoen jaar geleden was verdwenen. We spreken in zo’n geval van een levend fossiel.

 

De Coelacanth was lange tijd alleen bekend als fossiel. Het afgietsel in de collectie van het Museon (163636) is gemaakt van een vis op alcohol die in het museum in Luik ligt. Foto: Museon

 

Was het eerst alleen Zuid-Afrika waar deze vis levend werd teruggevonden, ze blijken ook bij de Comoren voort te leven. Zestig jaar na de eerste vangst werd voor de kust van het Indonesische eiland Sulawesi ook een Coelacanth aangetroffen op een vismarkt.

Dat deze vis niet zo “modern” is komt o.a. tot uiting in de zwemwijze en de beweging van de vinnen die heel anders is dan bij tegenwoordige beenvissen.” Kijk maar naar het filmpje.

 

 

De ontdekking van de Coelacanth met zijn onafhankelijk van elkaar bewegende vinnen op steeltjes waarin verschillende botjes zitten, leidde tot de veronderstelling dat deze vissen de voorouder zouden zijn van de eerste landdieren. Later is dit idee weer verlaten en nu houden onderzoekers het erop, dat een verwante groep vissen, Panderichthys, die 380 miljoen jaar geleden leefde, daar eerder aanspraak op kan maken. Coelacanth betekent letterlijk holle stekel naar de holle stekels van de eerste rugvin, een uniek kenmerk. Onze vis is de enige overlevende van zijn groep die 100 tot 200 miljoen jaar geleden uit veel meer soorten heeft bestaan.

 

Columbus en het paard

 

Columbus en het paard, Equus caballus, bereikten Amerika in 1492. De indiaanse bevolking stond perplex bij het zien van het manpaardwezen. Even dachten ze, dat er goden gekomen waren om hen te straffen. Soms ontsnapte een paard aan zijn berijder, want die werd wel eens van het paard geschoten.  

De paarden verwilderden op de prairies tot de mustangs die in Westernfilms de cowboys dragen. Foto AvBH

Ondanks al het nieuwe dat Columbus naar de Nieuwe Wereld bracht is voor het paard Amerika een oude wereld, want tot 16.000 jaar terug leefden daar nog wilde paarden. De eerste mensen trokken een paar duizend jaar later uit Azië de Beringstraat over, maar troffen toen geen paarden meer aan.

Replica van een oerpaardje, Propalaeotherium hassiacum (Museonnr. 163694) uit de groeve Messel bij Darmstadt in Duitsland. Ouderdom: Midden-Eoceen. Foto Museon

Wie de fossielen van 30 miljoen jaar geleden onderzoekt, ontdekt dat het in Noord-Amerika ooit gewemeld heeft van paarden, zowel in soorten als in aantallen. Via landbruggen emigreerden enkele keren in de geologische geschiedenis paarden uit Amerika naar Azië, Europa en Afrika. In Amerika stierven ze uit, terwijl in Azië het Przewalskipaard en de ezels en in Afrika de zebra’s tot op de dag van vandaag voortbestaan. Die drie zijn maar een kleine afspiegeling van de rijkdom aan soorten die ooit over de Noord-Amerikaanse prairies zwierven.

 

De eerste paarden waren samen met hun verwanten, neushoorns en tapirs, bosbewoners die van het blad van bomen leefden. Toen het klimaat kouder en het landschap opener werd, raakten grassen in de meerderheid. Paarden pasten zich aan het eten daarvan aan. Het hield in, dat zij een veel slijtvaster gebit nodig hadden om de harde bladen van grassen te kunnen eten. En omdat ze in een open landschap leefden, ontwikkelden ze langere poten om sneller te kunnen vluchten.

 

Mens en paard zijn nauw met elkaar verbonden. Er zijn er zelfs die met paarden kunnen spreken. In de VS verliep de evolutie van het paard wel heel snel na de komst van Columbus…..

 

 

Bodemloze teerput

 

De streek rond Los Angeles is rijk aan olie. Boortorens domineerden in de vorige eeuw het landschap voordat LA uitgroeide tot de megastad langs de Stille Oceaan. De olie ligt niet diep, al meer dan 40.000 jaar vormt het asfaltmeertjes in de laagste delen van het gebied. Die meertjes zijn dodelijk voor plant en dier. Zoals honden wel eens geloven over met kroos dichtgegroeide Hollandse sloten te kunnen lopen, zo liepen wilde dieren over de met bladafval en regenwater bedekte meertjes hun ondergang tegemoet. Botten van zoogdieren, insecten en plantenzaden raakten verzadigd met teer en bleven bewaard. De oudste vondsten zijn met de C14 methode gedateerd op 46.800 jaar.

De boortorens zijn weg, de put is opgenomen in het stadsbeeld van LA

De bubbels in het water verraden het teer. Op de achtergrond de vele boortorens. Situatie in 1910.

 

 

De Museoncollectie bevat enkele fossielewaterkevers uit de teerputten. Omdat we niet precies weten uit welke tijd ze stammen ligt hun ouderdom ergens tussen de 10.000 en 50.000 jaar. Er zitten twee drie centimeter grote waterkevers in die ik kon determineren: een tot geslacht en een tot soort. De ene is een spinnende waterkever, Hydrophilus cf triangularis en de waterroofkever, Cybister spec.

Onze grootste waterkever bouwt een nest van zijde voor de eieren en maakt dat vast aan een drijvend blad. Van links af de volgroeide larve, het mannetje met de driehoekige schopjes aan de voorpoten en het vrouwtje dat aan het nestje werkt.

Rechts een spinnende waterkever op de rug en in het midden een ander op de buik gezien. Museoncollectienummer 230670. Foto AvBH



In het Page Museum worden alle vondsten bewaard. En dat zijn er nogal wat. Een kleine greep: 250.000 vogelbotten afkomstig van 139 soorten waarvan er inmiddels 23 zijn uitgestorven. De 100.000 plantenresten laten zich onderbrengen bij 158 soorten. De planten tonen aan, dat klimaatverandering ervoor zorgde, dat in 40.000 jaar vier vegetaties elkaar afwisselden:  een droge struikgemeenschap van de kust, moerassen en vegetaties van stromende wateren, ondoordringbare, licht ontbrandbare chaparralvegetatie en de planten die tegenwoordig in de Grand Canyon groeien.

Het Page Museum vaart er wel bij, want hoeveel musea zijn er, die bovenop hun collectie zijn gebouwd?

Toen in 2006 het Los Angeles County Museum of Art, LACMA, een parkeergarage bouwde werden onder het museum zestien nieuwe teerputten ontdekt. Het Page Museum gaat ze onderzoeken en kan nog wel even vooruit.

Onze fossiele waterkevers zijn afkomstig van McKittrick Tar Pits in Kern County California