Schrijvers

Poppies

 

Het voorbije weekend bezocht ik de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog (1914-18) langs de Somme in Noord-Frankrijk. Lopend door de velden en langs de graven vielen de vele veldleeuweriken op die door de harde zuidwestenwind laag overvlogen. Hun roepjes waren niet van de lucht. Een enkeling vloog zingend voorbij alsof het lente was. Op de graven waren bloemkransen gelegd.

 

Lochnar Crater Frankrijk

De rode bloemen in de krans verbeelden de miljoenen klaprozen die in het voorjaar het slagveld rood kleurden.

 

De klaproos, poppy in het Engels, houdt van omgewoelde grond. En daar was op de slagvelden van weleer geen gebrek aan. Na de oorlog zijn ze nog jaren elk voorjaar teruggekomen.

 

Papaver_IMG_2417_130511_1280x960

Klaprozen zijn pionierplanten die, als de grond tot rust komt, in aantal afnemen. Foto’s AvBH

 

De slagvelden roodkleurende klaprozen en tientallen uitbundig zingende leeuweriken inspireerden John McCrae (1872-1918) tot het onderstaande gedicht.

 

In Flanders fields

In Flanders fields the poppies blow

Between the crosses, row on row

That mark our place; and in the sky

The larks, still bravely singing, fly

Scarce heard amid the guns below.

We are the dead. Short days ago

We lived, felt dawn, saw sunset glow

Loved, and were loved, and now we lie

In Flanders fields.

Take up our quarrel with the foe:

To you from failing hands we throw

The torch; be yours to hold it high.

If ye break faith with us who die

We shall not sleep, though poppies grow

In Flanders fields.

 

 

Coelacanth, levend fossiel

 

ICHTHYOLOGIE

 

Er is in zee een coelacanth gevonden,
de missing link tussen twee vissen in.
De vinder weende van verwondering.
Onder zijn ogen lag voor ’t eerst verbonden

 

de eeuwen onderbroken schakeling.
En allen die om deze vis heenstonden
voelden zich op dat ogenblik verslonden
door de miljoenen jaren achter hen.

 

Rangorde tussen mens en hagedis
en van de hagedis diep in de stof,
verder dan onze instrumenten reiken.

 

Bij dit besef mogen wij doen alsof
de reeks naar boven toe hetzelfde is
en kunnen zo bij God op tafel kijken.

 

Gerrit Achterberg
In: Cenotaaf, 1953

 

 

Soms glipt een uitgestorven gewaande soort door de mazen van de tijd. Dat deed een vis, de Coelacanth, Latimeria chalumnae. Hij werd springlevend teruggevonden in de Indische Oceaan bij Zuid-Afrika terwijl we dachten dat de groep, waartoe hij behoorde, 80 miljoen jaar geleden was verdwenen. We spreken in zo’n geval van een levend fossiel.

 

De Coelacanth was lange tijd alleen bekend als fossiel. Het afgietsel in de collectie van het Museon (163636) is gemaakt van een vis op alcohol die in het museum in Luik ligt. Foto: Museon

 

Was het eerst alleen Zuid-Afrika waar deze vis levend werd teruggevonden, ze blijken ook bij de Comoren voort te leven. Zestig jaar na de eerste vangst werd voor de kust van het Indonesische eiland Sulawesi ook een Coelacanth aangetroffen op een vismarkt.

Dat deze vis niet zo “modern” is komt o.a. tot uiting in de zwemwijze en de beweging van de vinnen die heel anders is dan bij tegenwoordige beenvissen.” Kijk maar naar het filmpje.

 

 

De ontdekking van de Coelacanth met zijn onafhankelijk van elkaar bewegende vinnen op steeltjes waarin verschillende botjes zitten, leidde tot de veronderstelling dat deze vissen de voorouder zouden zijn van de eerste landdieren. Later is dit idee weer verlaten en nu houden onderzoekers het erop, dat een verwante groep vissen, Panderichthys, die 380 miljoen jaar geleden leefde, daar eerder aanspraak op kan maken. Coelacanth betekent letterlijk holle stekel naar de holle stekels van de eerste rugvin, een uniek kenmerk. Onze vis is de enige overlevende van zijn groep die 100 tot 200 miljoen jaar geleden uit veel meer soorten heeft bestaan.

 

Bevers 2

 
Bevers, Castor fiber, zijn onze grootste knaagdieren. Hun vacht, ogen, oren, neus, poten en staart zijn aangepast aan een leven onder water. Bevers werden zwaar bejaagd omwille van de dichte vacht. Zo zwaar zelfs, dat de bever bijna in jassen is opgegaan. Ze markeren hun territorium met bevergeil, uitgescheiden door een klier bij de anus, dat ze op stenen smeren. In de middeleeuwen waren teelballen van de bever erg gewild vanwege de vermeende geneeskrachtige eigenschappen. Jacob van Maerlant schreef er over in zijn boek Der Naturen Blomme. Wat men toen niet wist, was dat bij bevers en veel andere in water levende zoogdieren penis en testis in de buikholte zitten. Wat voor testis werd gehouden is in werkelijkheid de klier die het zogenaamde bevergeil afscheidt. En dat werd verwerkt in parfum en, als bittermaker, in drankjes.

Biberkopf

Neus, oog en oor staan op één lijn waardoor ze, drijvend in het water, alle drie de zintuigen tegelijk kunnen gebruiken. Museoncollectienummer: 58097

bever vraatspoor

De afdruk van de snijtanden is hier goed te zien. Bevers eten wilgenschors, dat vol zit met salicylzuur, de grondstof voor aspirine.

bever zwemvliezen achterpoot

De zwemvliezen tussen de tenen maken dat een bever zich op het land moeizaam beweegt. Collectienummer: 58097. Foto’s AvBH

Wat zou het mooi zijn om bij Beverwijk en Beveren in België beverburchten te vinden. Dat zal wel een schone wens blijven. Hoewel. Wie had verwacht dat de bever, na 162 jaar uitgestorven te zijn geweest, zou terugkeren in het Nederlandse rivierengebied?

 

Vluchtbreukeling

 
Graspiepers, Anthus pratensis, overwinteren in onze streken en zuidelijker. Bij gunstige staartwind – daar wachten ze vaak op – beginnen ze aan hun trektocht. Als die over zee gaat nemen ze het niet zo nauw wat betreft hun schuwheid en landen vermoeid op alles.

Deze mevrouw merkte van het piepertje niets op de boot van Cuxhaven naar Helgoland. Foto Marcel van der Tol

Kees Kruimelwerk raakte bij het zien van deze foto door dit voorval geïnspireerd en dichtte:
 

Schots

 ‘Ik wil’, zo dacht een pieper snaaks

– hij voelde zich wat dwars en haaks –

‘vandaag geen haag, tak of twijgen

het strand en wad zijn mij te ver

‘k moet toch wat anders zien te krijgen’

hij fladderde rond, zo her en der

wachtend op vriend en medestander

rust hij nu even op een Schotse hooglander.

Kees Kruimelwerk

Free Musketeers

 

Inktvlekkenzwam

 


 
Hoe komen de bladeren van de esdoorn zo zwartgevlekt? “Ja, dat doen de kabouters ook,” zei Windekind. “Als zij ‘s nachts geschreven hebben, gooien zij ‘s morgens de rest van hun inktpotjes over die bladeren uit. Zij houden niet van die boom. Van essenhout maken ze kruisjes en stelen voor kerkenzakjes.”

 
Zo zag Frederik van Eeden in De kleine Johannes het blad van de esdoorn.
 
Een week geleden liep ik in de duinen en zag, dat bijna alle esdoorns, Acer pseudoplatanus, zwarte vlekken hebben. De inktvlekkenzwam, Rhytisma acerinum, is de veroorzaker. Andere boomsoorten hebben hun eigen inktvlekkenzwam. Maar dat doen kabouters die uit een ander inktpotje tappen.