Weekdieren

Slakken van de tennisbaan

 

Soorten worden door de mens de hele wereld over geholpen. Per boot met ballastwater, via een kanaal dat twee niet met elkaar in contact staande rivieren verbindt, in de reiskoffer of gewoon in een schoen. Meestal blijft het bij een enkel dier of plant. Maar soms slaat een soort aan en dan zie je plotseling dat ze zich over een veel groter gebied verspreiden. Ze worden talrijker om soms weer in aantal af te nemen en zich met een kleiner aantal definitief te vestigen. Onze wereld zit vol voorbeelden. En nu verdenk ik mijzelf ervan een soort verplaatst te hebben. En wel met mijn auto van de tennisbaan in Bloemendaal, waar ik wekelijks kom, naar mijn voortuin.

 

Hygromia-cinctella

 

Het zit zo. Tussen Bloemendaal en Aardenhout en ook in het Amsterdamse Bos leeft sinds begin jaren negentig van de vorige eeuw de Gekielde loofslak, Hygromia cinctella. Een kleine twintig jaar daarvoor werd deze soort voor het eerst gevonden in het zuiden van Engeland, in Hongarije (Budapest) en in Oostenrijk (Wenen). Steden als eerste vindplaats zijn verdacht. Het maakt het waarschijnlijk, dat de mens de soort heeft meegebracht. Mijn dochter ontdekte de slak in de voortuin op een plant naast de auto. Een paar dagen later vond ik er nog een. Het kostte me enige moeite om achter de naam te komen. Het slakkenhuis heeft een witte kiel die over het midden van de laatste omgang loopt. Daardoor lijkt de slak een beetje op een tol. Op de verspreidingskaart van de site waarneming zie je dat de meeste vondsten gedaan zijn rond Amsterdam en Haarlem en een paar wat verder weg. Zoetermeer, mijn woonplaats is de nieuwste en zeker niet de laatste.

 

Toplessslak

 

Er zijn slakken die hun topje afdoen. In Spanje kwam ik er na een fikse regenbui honderden tegen op een natte weg. Deze soort, Rumina decollata, komt niet in ons land voor en heeft geen Nederlandse naam voorzover ik na kon gaan. Dan maar een bedacht: “Toplessslak” en topless dat is ie en dat leek mij een juiste naam en tevens omschrijving. Lekker makkelijk om te onthouden.

 

Rumina decollata, Toplessslak

De slak zit aan de voorzijde niet lekker in zijn huis. Het lichaam kan niet helemaal naar binnen getrokken worden. Foto AvBH

 

De top van de schelp wordt afgestoten naarmate de slakken groeien. Daarin zijn ze uniek. Omdat ze wel van andere slakken houden, zijn ze ingevoerd in de VS en elders om slakken en naaktslakken te bestrijden. In het westelijke middellandsezeegebied ligt hun heimat. In de wetenschappelijke naam staat decollata afkomstig van decolleté, ‘laag uitgesneden’. Maar dat vind ik minder duidelijk, want waar is dat wat op de plaats van het decolleté moet zitten? Ik heb de Nederlandse naam voorgesteld bij de vereniging die zich met slakken bezig houdt: de Nederlandse Malacologische Vereniging.

 

De slakken worden pas actief tijdens regen. In droge periodes zitten ze in de bodem ingegraven. Ik vermoed, omdat ze anders snel uitdrogen, want ze kunnen zich niet helemaal in de schelp terugtrekken. Het zijn echte rovers die andere slakken aanvallen en eten. Dat is de reden waarom ze ingevoerd zijn op andere plaatsen zoals de VS. Daar zijn ze inmiddels een plaag geworden. In hun oorspronkelijke verspreidingsgebied, Spanje, het zuiden van Italië en het noorden van Afrika eten ze vooral segrijnslakken, Cornu aspersum.

 

Nautilus

 

De schelp van de Nautilus, een inktvis,  is gewild als souvenir. En ze zijn zeldzaam. Dat gaat niet saam. Ze leven in de Indische en Grote Oceaan langs de steile onderzeese hellingen van koraalriffen waar veel toeristen komen en de overbevissing een groot probleem is. De trage groei naar hun volwassenheid is een ander gevaar voor deze inktvissen.

 

Bij deze soort is de zogenaamde navel, die onder het midden van de schelp te zien is, gesloten. Museoncollectienr 83878. Foto Museon

 

Er zijn zes Nautilussoorten over van een groep die in het verleden uit vele duizenden soorten bestond. Iedere Nautilus leeft in een door henzelf gemaakte schelp. De schelp bestaat uit kamers, het dier leeft in de laatste kamer. Andere inktvissoorten, de octopussen, zeekatten en de pijlinktvissen hebben een inwendige schelp. Die je dus niet ziet. Na te zijn gestorven blijft de schelp over en die vindt je als de zogenaamde zeekaak aangespoeld op het strand. In de Museoncollectie hebben we drie Nautilussoorten.

 

Mossel en vis

 
Al eerder schreef Wilde Wijde Wereld over de steur, Acipenser sturio, de leverancier van kaviaar. Steur  is net als houting, zeeprik, rivierprik en zalm een vis die voor zijn voortplanting de rivieren optrekt. Op de zalm na, die naar beekjes in het hooggebergte doortrekt, leggen de andere soorten hun eieren in de beddingen in de beneden- en middenloop van grotere rivieren zoals de Rijn en de Maas. Toen in de tweede helft van de vorige eeuw door steeds toenemende industriële lozingen extreme riviervervuiling optrad, werd die door de vis duur betaald. De bestanden hebben zich nooit meer helemaal hersteld. De houting geldt voor ons land als uitgestorven sinds 1930. Zeeprik en rivierprik komen nog sporadisch de rivieren op.

De voortplanting van de rivierparelmossel hangt af van de steur. De mossellarven hechten zich aan de kieuwen van de steur.

De steur zet zijn eieren deels af in de rivierparelmossel, Margaritifera auricularia. De larven van mossel en vis halen hun zuurstof uit het door de mossel en langs de kieuwen van de vis stromende zuurstofrijke water.
 
Met het verdwijnen van de rivierparelmossel, Pseudunio auricularia, verdween de steur uit de Europese rivieren. De industriële vervuiling speelde daarbij een grote rol.
 

De zandmotor bij Ter Heijde: met mijn neus in het gruis

Een dagje strand kun je afsluiten door eens een hoopje gruis mee te nemen. Behalve massa’s schelpfragmentjes kun je er de kleinste slakkenhuisjes, zee-egeltjes en schelpjes in vinden.

Op de foto zie je veel zeeboontjes, Echinocyamus pusillus, liggen. Met 3-5 mm zijn het de kleinste zee-egeltjes die je in het gruis kunt vinden. Verder zie je veel stukjes schelp die soms nog te herkennen zijn als soort. De donkere houtstukjes komen uit veenafzettingen onder de Noordzeebodem. Het hout bewijst, dat de Noordzee ooit droog heeft gestaan en bedekt was met moerassen en vochtige bossen die later het veen vormden.

Het gat in het midden is de mond, het kleinere gat achteraan is de anus. Op de bovenzijde is een vijfarmige figuur te zien. Uit de gaatjes steken bij levende zee-egels buisjes waarmee ze zich ingraven en verplaatsen. Foto's AvBH

Op ons strand vinden we vrijwel nooit zeeboontjes waar nog stekels op zitten. En dat terwijl ze vlak voor de kust leven.