Planten

Splitters en lumpers

 
In de biologie spreken we van splitters en lumpers. Die twee begrippen en hun aanhangers verdragen elkaar slecht. Splitters knippen soorten op in meer soorten terwijl lumpers soorten samenvoegen. Een bekend voorbeeld was in mijn studietijd de paardenbloem, Taraxacum officinale. In mijn Heukelsflora uit die tijd was veel plek ingeruimd voor alle soorten paardenbloemen van ons land.

Taraxacum agaurum = Taraxacum officinale, ingeschreven onder Museonnummer 104369.

Je kon toen een paardenbloem opsturen met grote kans dat je een paardenbloemsoort in je tuin had staan die je buurman niet had. Hier was een splitter bezig. Bij het werken aan en valideren van het Museonherbarium kwam ik vele soorten paardenbloemen tegen die toen aan een naam geholpen zijn. Er kwam een gelukkige sensatie over mij, toen ik ter controle al die soorten wilde opzoeken in de laatste druk van de officiële flora, de Heukels-van der Meiden. Want wat bleek? Er is nog maar één soort! Back to square one! Ik heb vroeger vergeefs geprobeerd orde in de zee van paardenbloemen te scheppen. Het leverde mij een groot minderwaardigheidscomplex als plantensystematicus op.

Taraxacum crispifolium= Taraxacum officinale, ingeschreven onder museumnummer 104360. Foto’s: Museon afd. Collecties

 

Okkernoten

 
Op de bosbodems liggen nog overal eikels en beukennoten. In de museumtuin liggen Canadese okkernoten, Juglans cordiformis, die afkomstig zijn van twee bomen. Deze bomen zijn in 1935 ter gelegenheid van de opening van het Haags Gemeentemuseum geschonken door de directeur van de plantsoenendienst. De bomen hebben hun langste tijd gehad. De bouw van het Omniversum heeft bij een boom het wortelstelsel bijna gehalveerd. Deze zal het niet lang meer maken. De andere boom staat iets verder van de bebouwing af en levert elk jaar een groot aantal noten die familie zijn van de walnoot. Voor muizen en vogels is een zo’n noot een hele maaltijd.

De vruchten van de canadese okkernoot zijn kleiner dan die van de walnoot. Foto’s AvBH

De twee notenbomen in de tuin van het Gemeentemuseum hebben hun langste tijd gehad. Een eerste klap kregen ze bij de bouw van Museon en Omniversum, toen hun wortelstelsel door de bouwactiviteiten werd aangetast. Nu zitten ze vol met boktorren, waar de spechten van komen eten.

Elzen, oerhollands

 
De zwarte els, Alnus glutinosa, was in de tijd dat ik in Zoetermeer ging wonen een algemeen voorkomende boom. De katjes trokken veel vogels aan. Vooral sijsjes die in het najaar op de katjes die nog aan de boom zaten afkwamen en die tegen het eind van de winter de op de grond gevallen zaden aten. Maar al snel zag ik dat op veel plaatsen de elzen werden weggehaald. En daarmee verdwenen de sijzen uit onze achtertuin.

Zwarte elzen hebben mannelijke en vrouwelijke bloemen die in katjes zitten. De zwarte proppen zijn de vrouwtjeskatjes van vorig jaar. Daaruit vallen nu de zaden. De vrouwelijke katjes van dit jaar zijn nog klein. De lange katjes zijn mannetjes.

Veertig jaar geleden zijn goedkoop elzen uit Oost- en Zuidoost-Europa ingekocht om aan te planten langs singels, dijken en in parken. De els was even dé modeboom van menige Plantsoenendienst. Daarbij werd onze inheemse zwarte els verdrongen. Jammer, want die is veel beter bestand tegen het hoge grondwater hier. De nieuwe elzen werden veel vaker ziek. In die tijd ging Bert Maas van de Stichting Bronnen oude Hollandse kades af, verzamelde daar zaden en  kweekte die op. Grote afnemers zoals Staatsbosbeheer plantten deze bomen die beter zijn aangepast aan onze omstandigheden.

De zaden van de zwarte els zijn ongeveer 2 mm groot. Ze worden in de winter door sijzen en barmsijzen en ook wel door andere vinken gegeten.

Nog maar vijf millimeter groot vrouwelijk katje dat later in het jaar uitgroeit tot de bekende elzenprop. Foto’s: AvBH

Met dank aan Johan Vos, stadsecoloog bij de Gemeente Zoetermeer.
 

Lazarussoort

 

Een lazarussoort is een soort die een tijd uitgestorven is gewaand, maar uit de fossielenwereld is opgestaan gelijk in het Nieuwe Testament Lazarus na vier dagen weer uit de doden opstond (Johannes 11, 1-54).

Door stekken vermeerderde Wollemiden in Kew Gardens Londen. Foto Architeutis voor wikipedia.

De Wollemiden, Wollemia nobilis, is een van de zeldzaamste bomen op aarde. Door het stuifmeel te vergelijken met fossiel stuifmeel weten we, dat er 90 miljoen jaar geleden al verwante soorten bestonden. Deze pas in 1994 ontdekte soort is de enige overlevende van een grotere groep van soorten. Er zijn minder dan honderd bomen in de vrije natuur. De groeiplaats, ergens in Australië, blijft geheim. Genetisch onderzoek laat zien dat alle bomen identiek zijn. Dat maakt het waarschijnlijk dat de soort op een gegeven ogenblik evolutionair gezien door het oog van de naald is gekropen. Misschien bleven er maar twee  planten over. Bijna uitgestorven, maar na een wederopstanding zijn er nu wat meer.

Detail van de top van een wollemiden die in het project zit om de soort voor uitsterven te behoeden. Deze boom staat in vogelpark Walsrode in Duitsland. Foto AvBH

Met dank aan hr/mw Duijneveldt die erop wijst, dat alle Wollemi’s buiten Australië verkregen zijn door vegetatieve vermeerdering, stekken. Genetisch spreken we dan van een kloon.

 

Winterharde kroosvarens

De lichte driehoek op de voorgrond en de paar lichte plekken zijn ijsschotsen waarin kroosvarens zitten vastgevroren. Kroosvarens waren vroeger inheems in Europa tijdens warmere periodes tussen twee ijstijden. In Europa waren ze na de laatste ijstijd niet teruggekeerd. Rond 1900 zijn ze door de mens ingevoerd uit Amerika.

De Kniplaan in Stompwijk was voor de oorlog een bekend excursiedoel van studenten en medewerkers van het toenmalige Rijksmuseum van natuurlijke Historie in Leiden. Menig waterkever en waterwants is in het museum terecht gekomen. Vanmiddag fietste ik er langs en zag, dat het ijs op sommige plaatsen al weer weg was. Maar wat opviel was de dichte mat van grote kroosvarens, Azolla filiculoides, die het oppervlak van het water op een paar plaatsen rood kleurde.

Kroosvarens leven samen met blauwwieren die stikstof uit de atmosfeer vast kunnen leggen.

Deze varens zijn erg oud, al minstens 50 miljoen jaar. In die tijd, tegen het einde van het dinosaurustijdperk, was het klimaat een stuk warmer dan nu. De noordelijke ijszee was een binnenzee, die op een plaats met een ondiepe drempel in verbinding stond met de zoute oceaan. De bovenste laag van die zee was gevuld met zoet water dat bovenop het zwaardere zoute water eronder dreef. In deze bovenste laag groeiden zoetwaterplanten waarvan het kroosvarentje een van de talrijkste was. Wanneer ze stierven zakten ze naar de zuurstofloze bodem van de poolzee. Daar vinden we ze nu terug in boringen en bodemmonsters.

Detailopname door een microscoop van een enkele plant. Kroosvarens bedekken sloten en plassen vaak voor 100%. Ze zijn alleen in het westen van het land algemeen in voedselrijk water. Foto’s AvBH